Artikel 13: november 2013
Artikel 13: november 2013 PDF Afdrukken E-mail
 

Hernieuwbare energie in je biotuin (deel 4)

Doorlevend luilekker tuinieren – het vervolg

 

In de Lusthof  spelen vaste groenten een prominente rol. Ik bespreek er deze keer vier oertypes van.

 

Oerprei

 

Prei (Allium ampeloprasum) werd al door de Egyptenaren geteeld en heeft de voorbije twee millennia veel vormen (zeg maar rassen) aangenomen. In je winkel ligt uitsluitend die lange, rechte, blauwgroene prei, die vooral geselecteerd is op machinale teelt en verwerking. Blad dat afhangt, of een knobbelige voet zijn daarbij alleen maar hinderlijk. En kijk, laat dit juist twee kenmerken van oerprei zijn. Niet in het supermarktschap of in je klassiek tuincentrum te vinden dus. Verder is het ook een kleiner gewas dan de doorgekweekte, opgefokte rassen, dus waarom zou je oerprei (Allium ampeloprasum var Holmense) überhaupt kweken?

 

Voor de bolletjes:

Begin juni zwelt de wortelbasis en vormen zich rondom de oorspronkelijke stengel een tiental teentjes, zoals knoflook en sjalot ook verklisteren. Je verwijdert gewoon de buitenste rokken en dan kun je bolletjes oogsten: verder kun je het groen verwerken zoals gewone prei. Stilaan, tegen begin juli, komen er hardere vliezen rond de gevormde teentjes en verdort het groen. Nu rooi je alle bollen: ze bewaren niet echt lang (tot september) en zijn dus een fijne zomertraktatie. Pel de mooiste bollen - mooi wit van binnen - en proef er eens eentje rauw: zoet en toch uiachtig. Eén culinaire suggestie alvast: stoof ze in olijfolie met flink wat tijmblaadjes, peper en zout.

 

Voor de preitjes en om nooit meer plantgoed te hoeven kopen:

In augustus of september plant je bolletjes met een tussenafstand van 25 cm op 15 cm in de rij. Ze beginnen meteen te groeien! In het vroege voorjaar kun je lichtjes aanaarden. Oogst in april en mei: dan zijn de preitjes op hun dikst. Weer een beproefd keukenidee: stoom die oerpreitjes in hun geheel, overgiet met een vinaigrette waaraan je vers gemalen korianderzaad hebt toegevoegd.

 

Voor het groen – vooral voor luie tuiniers:

Je kunt de ondergronds gevormde klisters na de zomer ook gewoon in de grond laten zitten. Na enkele weken lopen de bolletjes dan weer uit en bovengronds vormen zich bussels jong preiblad die je kunt snijden zoals je dat met bieslook zou doen. Het groeit vlot terug, en dat groen kun je bijvoorbeeld telkens gebruiken in preisoep. Ga overigens door met die bieslookbehandeling: scheur elk jaar, tussen oktober en maart, de bossige planten in verschillende stukken. Die plant je dan op een nieuwe plaats, met een handje compost erbij.

 

Voor de historische lol, om op te scheppen tegen vrienden:

Oerprei is een echte oude, vergeten groente, die al eeuwen van hand tot hand gaat. Sinds 1950 is meer dan 80% van alle groenterassen verdwenen. Als jij mee kweekt, gaat dit historische type niet uitsterven.

 

Voor de ecologisch ingestelde mens:

Oerprei is niet zo productief als gewone prei, maar wel veel makkelijker te kweken. Dit type wordt ook niet zo snel geplaagd door beestjes of ziekten: dat soort weerstand hebben die oergroenten wel vaker.

 

 

Eeuwige moes (Brassica oleracea var. Ramosa)

Het verleden van deze groente spreekt uit alle namen die deze groente verzameld heeft: oudewijvenkool, splijtkool, stekkool, Limburgse schelk, scheur-af, en da’s alleen nog maar in Vlaanderen.

Eeuwig moes is een kool die niet (of toch maar heel zelden) bloeit. Raar, he, maar dat zou al tweeduizend jaar zo zijn. Oorspronkelijk Al die tijd zijn onze voorouders deze makkelijke kool vegetatief blijven vermeerderen, door stekken of afleggen.

 

Hoe eet je deze vergeten groente?

Deze oude groente lijkt wat op boerenkool: dus los blad aan stengels. Pluk dat jonge blad vooral in het voorjaar, wanneer klassieke groenten nog schaars zijn. Recepten: zie boerenkool, dus soep, stoemp, quiche, … De truc bestaat er overigens in dat je de planten steeds topt, zodat de onderliggende oogjes uitlopen. Zo vertakt je eeuwig moes, en op den duur wordt dat een hele bossige plant van 1 meter in alle richtingen.

 

Hoe moet dat vegetatief vermeerderen?

Simpel, hoor: knip tussen augustus en oktober stekken, dus stukken stengel van pakweg 5 of 20 cm (of iets daartussen) en stop ze in de grond. Ze wortelen gauw, en het jaar daarna heb je al mooie planten. Of je legt af: giet tussen augustus en oktober een halve emmer grond over (het centrum van) je plant uit. Het volgende voorjaar graaf je de bewortelde plantjes uit, en je knipt ze los van de moederplant.

 

Echt eeuwig?

Bij heel strenge vorst legt eeuwig moes wel het loodje. Misschien omdat deze groente uit Portugal zou komen; enfin: bewaar voor de zekerheid je stekken (al dan niet beworteld) vorstvrij, dus onder stro, of in je serre of frisse kelder. Jaarlijks verjongen (door te vermeerderen) is ook wel nodig: oudere planten verslijten en hebben meer van vorst te lijden dan jonge plantjes of stekken.

 

Waarom zou je deze groente kweken?

Zie de argumenten voor oerprei: makkelijk, historisch, uniek. Het is ook een heel decoratieve plant, die mooi past in een grote kuip; als je met wat geluk de bontbladige variant vindt, scoor je overigens nog beter.

 

 

Doorlevende rogge (perennial rye) is een project waar Tim Peters decennia aan gewerkt heeft.

Hij kruiste rogge met een wilde grassoort, en ontwikkelde er Mountaineer uit, een rogge met de volgende eigenschappen:

·         Net zoals echte rogge krijg je robuuste planten, tot 2 m hoog. Indrukwekkend in je siertuin, stel ik voor, of als snelle inkijkwerende haag.

·         Ik stel een sterke beworteling vast, meteen na de kieming; volwassen planten hebben een ontzagwekkende wortelstelsel dat dus heel goed droogte weerstaat;

·         Elke plant kan stevig uitstoelen – zeg maar: breed uitgroeien -  als je maar genoeg ruimte (bijvoorbeeld 20 cm) laat tussen je planten.

·         De levensduur van deze wilde rogge bedraagt 2 tot 4 jaar op vruchtbare grond, en tot 7 jaar op schrale grond.

·         De meeste korrels zijn ongeveer half zo groot als die van gewone rogge

·         Er zit behoorlijk wat variatie in de populatie: 90% van de aren is dik en vol, maar sommige aren zijn eerder primitief en schraal, zoals bij een wilde grassoort; ook rijpen ze niet allemaal tegelijk: je kunt dus zelf nog verder selecteren.

·         Het graan zit vrij goed vast in de aar, en dorsen moet dus met enig geweld gebeuren: wrijven tussen stevig gehandschoende handen is tot nader order mijn effectiefste techniek.

·         De bakwaarde van het graan heb ik nog niet getest

·         Als kiemzaad, voor roggekiemen dus, heb ik ze al gebruikt: de snelle groei verraste me, en de kiempjes zijn best lekker.

·         Je zou ook het jonge loof kunnen gebruiken zoals tarwegras(sap), dat super gezond heet te zijn.

·          

 

·         Slanke brandnetel (Urtica dioica subsp. Gracilis) is de voorlopige hekkensluiter van dit doorlevende rariteitenkabinet.

 

·         Ik kreeg dit plantje vijf jaar geleden van een Noorse verzamelaar, en het bleek uit te groeien tot een stevig om zich heen grijpend kruid: alsof we nog niet genoeg spontaan woekerende, inheemse brandnetel hebben! Waarom hou ik er toch elk jaar een stukje van bij?

·         Als curiosum: het blad is smaller en langer dan dat van de gewone brandnetel;

·         Vooral: deze soort (of ondersoort: botanici zijn er nog niet uit) heeft veel minder brandhaartjes: je wordt dus niet zo gauw geneteld. Deze zachtere karaktertrek vind je vooral bij de jonge, malse blaadjes en stengels: als je deze slanke brandnetel één meter hoog laat worden, prikt hij harder.

·         Het enige dat je dus moet doen met deze doorlevende groente is dus: snijden – of bij voorkeur gewoon met de blote hand plukken. Zo hou je slanke brandnetel en jezelf jong. Recepten zijn er bij de vleet te vinden: van aftreksel tot quiche, de klassieke soep en stamppot; bier en gier, voor de respectieve brouw- en tuinkundigen, …

Wild versus gecultiveerd.

Waarom hebben onze voorouders eigenlijk niet meer doorlevende gewassen veredeld, kun je je afvragen. Da’s waar: de meeste van onze gewassen zijn – door de eeuwen heen- geselecteerd uit oorspronkelijk een- of tweejarige wilde planten. Het voornaamste argument voor deze manier van werken zal wel zijn dat die een- en tweejarigen gewoon een stuk sneller te selecteren zijn. Heb je al eens een appelpitje gezaaid, en gewacht op de vruchten? Als je daarentegen tomaat A met tomaat B kruist, heb je volgend jaar al je eerste resultaat.

Hoe dan ook: selectie heeft zijn voor- en nadelen. Wilde groenten, zoals die vier die ik net beschreven heb, zijn niet zo lekker, mals of productief als onze supermarktgroentjes, da’s waar. Anderzijds bevatten ze meer vezels (gezond, ja, maar taai!) en antioxidanten, en vooral: ze hebben minder last van beestjes en ziekten. In de wilde natuur (en ook in je achtertuin) worden dikke vruchten, vlezige wortels, sappige bladeren daarentegen meedogenloos opgevreten. Dat onze slanke brandnetel meer bladluis over zich heen krijgt dan de gewone brandnetel, zal je dan ook niet verwonderen.

 

Tot slot:

Ik test elk jaar weer enkele nieuwe doorlevende groenten in onze eettuin. Amper werk, maar jarenlang plezier.

 

Waar vind je plantgoed?

Op www.ecozoekertjes.be kun je je vraag stellen. Hugo Dhooghe uit Brasschaat biedt er  regelmatig plantjes en zelfs zaadjes van oerprei aan.

Zelf heb ik amateurhoeveelheden van doorlevende rogge en slanke brandnetel.

 

Meer lezen en kijken?

De film ‘Eeuwige moes’ vertelt een bijzonder verhaal over vergeten groenten en hun kwekers.

Als je‘perennial vegetables’ googlet, komt er heel veel info op je af, maar vooral die van www.perennialveg.org.uk/ is – niet onbelangrijk - grotendeels toepasbaar op ons klimaat.

 

)

 
Volgende >